Continuïteit
'Het gaat goed met mij in dit gezin en ik kan hier blijven wonen als dat nodig is.'

Introductie

Kinderen willen op een plek blijven wonen waar zij zich prettig voelen en ze willen contact blijven houden met hun ouders en/of andere personen die voor hen belangrijk zijn. Deze continuïteit is ook goed voor hun ontwikkeling. Toch wisselen veel kinderen die niet thuis kunnen wonen, verschillende keren van woonplek. Bij een derde tot de helft van alle plaatsingen in een pleeggezin gaat het mis en moet het kind minstens één keer opnieuw verhuizen. Zo'n verhuizing veroorzaakt elke keer opnieuw onrust, onzekerheid en negatieve gevoelens. Het kind komt terecht in een nieuw gezin, vaak in een nieuwe omgeving, op een nieuwe school en bij een nieuwe sportclub en het moet weer nieuwe vrienden maken.

Feiten

Een overplaatsing is bijna altijd schadelijk voor de ontwikkeling van het kind. Vanwege wisselingen van de belangrijkste opvoeder, verliest het kind het vertrouwen in die opvoeder en zichzelf. Dat noemen we onveilige gehechtheid. De omgeving wordt onvoorspelbaar. Door de voortdurende aanpassing aan een andere omgeving, kan de ontwikkeling van het kind stagneren.

Gedragsproblemen

Anna

Onderzoek laat zien dat kinderen meer gedragsproblemen hebben als ze vaak worden overgeplaatst. (Newton, Litrownik & Landsverk, 2000. Herrenkohl & Egolf, 2003). Ze vinden het steeds moeilijker om nieuwe opvoeders te vertrouwen. Het vermogen van het kind om zich aan opvoeders te binden, neemt verder af. Hierdoor ontstaat er een negatieve spiraal van toenemende gedragsproblemen en een verhoogd risico op nog een mislukte plaatsing. Bij kinderen die ouder zijn dan 10 jaar, veel gedragsproblemen hebben en al vaak zijn overgeplaatst, is de kans dat het misgaat in een pleeggezin bijvoorbeeld tien keer zo groot. (Strijker, Zandberg & van der Meulen, 2005)

Risicofactoren

Risicofactoren voor een mislukte plaatsing zijn: toename van het probleemgedrag van het kind, afname van adequaat opvoedgedrag van de pleegouders of gezinshuisouders, een verstoorde relatie tussen de ouders en de pleegouders of gezinshuisouders en een negatieve invloed van de plaatsing op de eigen kinderen van de pleegouders of gezinshuisouders. Richtlijn Pleegzorg.

Meer informatie over continuïteit en overplaatsingen is te vinden op de website van het Nederlands Jeugd Instituut.

play

Achtergrond

Wie doet wat?

De matcher en de begeleiders van pleeggezinnen en gezinshuizen hebben een belangrijke taak in het voorkomen van doorplaatsingen.

Matching

De kans op een stabiele plaatsing is groter als de gezinsvorm goed bij het kind past. Het zoeken naar het best passende gezin wordt matching genoemd. De zorgaanbieder onderzoekt wat het kind nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen en welke kwaliteiten de opvoeders hebben. Zie ook het thema Gezinsvorm.

Ondersteuning pleegouders

De pleegzorgbegeleider volgt hoe het met het kind en de pleegouders gaat. Hoe ontwikkelt het kind zich? Hoe gedraagt het kind zich? Kunnen de pleegouders de opvoeding aan? Bij toename van het probleemgedrag van het kind, afname van een adequate opvoeding en een verstoorde relatie tussen de ouders en de pleegouders is extra begeleiding nodig. De begeleider doet dit zelf of schakelt aanvullende hulp in, afhankelijk van de ernst van de situatie.

Opvoedvaardigheden pleegouders

Het is belangrijk om de begeleiding en deskundigheidsbevordering van pleegouders te richten op het aanleren van gerichte opvoedvaardigheden. Zie ook het thema Begeleiding. Pleegouders kunnen hulp nodig hebben bij het herkennen en interpreteren van leeftijdsadequaat en afwijkend gedrag en het aanleren van vaardigheden. Voorbeelden van belangrijke vaardigheden zijn: ondersteunen, toezicht houden, aansluiten bij de ontwikkelingsleeftijd van het kind en het kind de mogelijkheid bieden om over het verleden te praten.

Samenwerking met ouders

Ouders zijn en blijven de ouders van hun kind. Als ouders niet achter de plaatsing staan, kan dit een belangrijke risicofactor zijn voor het verloop van die plaatsing. Zie ook het thema Samenwerking. Het is belangrijk dat ouders begeleiding krijgen bij het verdragen en accepteren van de plaatsing, het invullen van hun nieuwe rol en de samenwerking met de opvoeders. Begeleiders proberen bij de ouders draagvlak te creëren voor de gezinsvorm door bijvoorbeeld samen te beslissen in welk gezin het kind gaat wonen en goede afspraken te maken over de rol die de ouders blijven behouden in het leven van hun kind. Ook is het belangrijk dat ouders in de hulpverleningsvariant intensieve hulp krijgen om de thuissituatie te verbeteren, zodat het kind mogelijk weer thuis kan komen wonen.

Gedragsproblemen

Kinderen die ouder zijn dan 10 jaar worden bij voorkeur in een pleeggezin geplaatst dat gespecialiseerd is in het opvangen van tieners en met intensieve begeleiding. In sommige gevallen kan daarbij gedacht worden aan therapeutische pleegzorg, intensieve gedragstherapeutische oudertraining of een gezinsinterventie. Meer informatie hierover is te vinden in de Richtlijn Ernstige gedragsproblemen. Voor sommige tieners kan opvang in een gezinshuis beter zijn voor hun ontwikkeling dan opvang in een pleeggezin. In een enkel geval kan tijdelijke plaatsing in een leefgroep een goede oplossing zijn.

Wetten en richtlijnen

Internationaal

Bij elke vorm van alternatief verblijf van een minderjarige (dat wil zeggen een plaatsing van een minderjarige buiten zijn gezin) moet er gezorgd worden voor een bepaalde continuïteit in de opvoeding (artikel 20 lid 3 IVRK). Bij plaatsing van een kind moet daarom op passende wijze rekening worden gehouden met de achtergrond en speciale behoeften van het kind. Denk hierbij aan de etnische, godsdienstige en culturele achtergrond, maar ook aan de achtergrond wat betreft de taal (artikel 20 lid 3 IVRK; par. 58-62 Richtlijnen Alternatieve Zorg). Continuïteit houdt tevens in: een zekerheid over het toekomstperspectief en de noodzaak om daar binnen een verantwoorde termijn duidelijkheid over te verschaffen (artikel 9, 20, 25 IVRK; paragraaf 12, 14, 49-52, 60-61, 67 Richtlijnen Alternatieve Zorg).

Nederland

De wet stelt geen concrete termijn voor het nemen van een definitieve beslissing, maar spreekt voor het nemen van een opvoedingsbesluit van het belang dat dit binnen een aanvaardbare termijn gebeurt (artikel 1:266 lid 1 onder a BW). Een beslissing over het opvoedingsbesluit zegt niks over het recht van ouder en kind op omgang met elkaar. Ouders en kind behouden in principe het recht op regelmatig contact, ook als zij niet bij elkaar wonen of als ouders geen gezag hebben (artikel 9 lid 3 IVRK; art. 8 EVRM; 1:377a BW).

Anna

De jongeren zelf

In de Q4C Kwaliteitsstandaarden geven de jongeren zelf aan dat ze continuïteit heel belangrijk vinden. Zo moet continuïteit gegarandeerd worden door het hulpverleningsplan (nummer 6), moet het kind zich verder kunnen ontwikkelen tijdens de plaatsing (nummer 7) op een passende plek waar hij zich thuis voelt (nummer 9) en moet het recht op contact met familie en vrienden gewaarborgd blijven (nummer 10).

Checklist

Gemeenten en zorgaanbieders kunnen gezamenlijk veel betekenen voor kinderen en jongeren die voor korte of langere tijd niet meer thuis kunnen wonen. De transformatie biedt kansen om tot een integraal beleid te komen op de diverse domeinen die raken aan de zorg voor de jeugd. Een aantal belangrijke punten voor gemeenten en zorgaanbieders op een rij:

  • Zorgen we ervoor dat kinderen zo min mogelijk worden doorgeplaatst?
  • Kijken we vooraf goed of het kind, de ouders en de opvoeders bij elkaar passen?
  • Luisteren we naar de mening van ouders en betrekken we hen actief bij een plaatsing in een gezinsvorm?
  • Proberen we zo snel mogelijk het perspectief duidelijk te krijgen: terugkeer naar huis of in het pleeggezin of gezinshuis blijven?
  • Krijgen ouders ondersteuning bij het creëren van draagvlak voor de plaatsing van hun kind in een gezinsvorm?
  • Signaleren we risico's op afbreking en zetten we tijdig aanvullende hulp in?
  • Luisteren we naar kinderen en nemen we hun mening serieus?
  • Luisteren we naar de mening van pleegouders en gezinshuisouders en zorgen we ervoor dat hun wensen voor ondersteuning worden gehonoreerd?
  • Stimuleren we deskundigheidsbevordering van pleegouders en gezinshuisouders?
  • Zetten we steunfiguren in die de gezinsvorm begeleiden bij problemen, bijvoorbeeld ervaren pleegouders?
  • Ontlasten we het pleeggezin of gezinshuis als dat nodig is, bijvoorbeeld door weekendpleegzorg of een vast logeeradres?
  • Gebruiken we en ondersteunen we de netwerken rondom een kind en helpen we deze netwerken in de samenwerking?

Methodieken en meer

  • Kiezen voor Kinderen

    In het boek Kiezen voor Kinderen (Choy & Schulze) wordt een werkwijze voor pleegzorg gepresenteerd die de complexiteit van het samenspel in pleegzorg (letterlijk) in beeld brengt. Bij pleegzorg zijn veel partijen betrokken en die partijen hebben dikwijls tegengestelde belangen. De auteurs beschrijven hoe je die tegenstellingen kunt overbruggen met systeemtheoretische principes: hoe kan er 'samenspel' ontstaan en hoe kun je 'tegenspel' voorkomen? Het perspectief van het kind staat in deze werkwijze centraal.

  • Monitor Pleegzorg

    De Monitor Pleegzorg helpt pleegzorgbegeleiders om de ontwikkeling van een pleegkind te volgen en risico's op een voortijdige overplaatsing in beeld te brengen. Op basis van de Monitor Pleegzorg maakt de pleegzorgbegeleider samen met het pleegkind, de ouders en de pleegouders afspraken over de doelen en begeleiding voor de komende periode. Met als doel dat het pleegkind op een stabiele plek woont waar het zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen. Daarnaast kunnen de gegevens die opgehaald worden, ook gebruikt worden om de pleegzorg(begeleiding) verder te verbeteren.

  • Methodiek voor pleegzorgbegeleiding

    In Nederland ontbreekt het aan een goed onderbouwde, landelijke methodiek voor pleegzorgbegeleiding. In de praktijk wordt de voorbereiding op en begeleiding van pleegzorg op veel verschillende manieren vormgegeven. Dat er zoveel afbrekingen zijn binnen pleegzorg, kan te maken hebben met deze verschillen in aanpak. Vanuit de wens naar meer effectiviteit en uniformiteit ontwikkelen vier zorgaanbieders samen met het Nederlands Jeugdinstituut (en gefinancierd door Kinderpostzegels Nederland) een methodiek voor pleegzorgbegeleiding. De methodiek sluit aan bij wat we vanuit wetenschappelijk onderzoek weten over 'wat werkt' in pleegzorg.

  • Continuïteit in gezinshuizen

    In de publicatie Continuïteit in gezinshuizen worden op basis van onderzoeksgegevens en uitkomsten van gesprekken met gezinshuisouders verschillende elementen benoemd die kunnen bijdragen aan de continuïteit van plaatsingen in gezinshuizen.

Download de volledige literatuurlijst