Duidelijkheid
'Ik weet waar ik de komende jaren zal wonen: weer thuis of voor langere tijd in hetzelfde gezin.'

Introductie

Onzekerheid over de toekomst is niet goed voor de ontwikkeling van een kind. Daarom is het belangrijk dat kinderen weten hoe hun nabije toekomst eruitziet en waar en bij wie ze over een tijdje zullen wonen. Sommige kinderen kunnen na een uithuisplaatsing snel terug naar huis. Voor andere kinderen is dat niet mogelijk. Wat er ook beslist wordt, het is in het belang van het kind dat het zo snel mogelijk zekerheid heeft, want anders kan het zich niet veilig hechten. Dit heeft een negatieve invloed op zijn ontwikkeling.

Feiten

Langdurige onzekerheid

Dalila

Uit tal van onderzoeken blijkt dat langdurige onzekerheid over de toekomstige verblijfplaats van een kind schadelijk is voor zijn ontwikkeling (Singer, 1998; Weterings, 2000; Van den Bergh & Weterings, 2007). Volgens Weterings kan veilige gehechtheid alleen ontstaan als een kind bestaanszekerheid heeft. En veilige gehechtheid vormt een voorwaarde voor gezonde ontwikkeling. Bovendien is het ook voor ouders en opvoeders erg moeilijk als er lange tijd geen zekerheid is. Daarom is het creëren van duidelijkheid binnen de 'aanvaardbare termijn' zo belangrijk en is dit sinds 1 januari 2015 ook wettelijk verankerd. Toch komt langdurige onzekerheid in de praktijk vaak voor.

Opvoedbesluit

De beslissing of een kind definitief teruggaat naar huis of langdurig in een pleeggezin of gezinshuis gaat wonen, wordt opvoedbesluit genoemd. Uit onderzoek blijkt dat het mogelijk is om binnen een half jaar duidelijkheid te hebben of de ouders over voldoende capaciteit beschikken om hun kind een veilige opvoeding te bieden, zodat het terug naar huis kan (Van den Bergh & Weterings, 2010). In dat eerste halve jaar is het belangrijk om veel aandacht en energie te steken in het onderzoeken en versterken van de opvoedcapaciteit van de ouders en het begeleiden van de contacten tussen de ouders en het kind. Dit wordt perspectiefonderzoek genoemd. Als zo'n onderzoek goed wordt uitgevoerd, kan een gedegen beslissing worden genomen over terugkeer naar huis of langdurige plaatsing in een gezinsvorm.

play

Achtergrond

Wie doet wat?

Bij een uithuisplaatsing staat het leven van het kind compleet op zijn kop en is het toekomstbeeld onzeker. Het kind krijgt te maken met wildvreemde mensen die belangrijke beslissingen nemen over zijn of haar leven. Jeugdhulpverleners onderzoeken samen met de ouders of terugkeer naar huis reëel is, of dat ze op zoek moeten naar een langdurige plek in een gezinsvorm. Het is van groot belang voor het kind dat al bij het begin van het perspectiefonderzoek een constructieve samenwerkingsrelatie bestaat tussen alle betrokkenen. Zie ook het thema Samenwerking.

Kinderbeschermingsmaatregel

Bij een kinderbeschermingsmaatregel onderzoekt de gecertificeerde instelling (gezinsvoogd) het toekomstperspectief van het kind in overleg met de pleegzorgbegeleider. De gezinsvoogd brengt officieel het advies over het toekomstperspectief uit aan de kinderrechter, nadat de Raad voor de Kinderbescherming het advies heeft getoetst. In de herziene kinderbeschermingswetgeving kan daarbij aan de pleegzorgorganisatie een informatieve rol toebedeeld worden. Een pleegzorgorganisatie kan de griffie van de rechtbank vragen om als informant aangemerkt te worden om zo haar zienswijze in een casus kenbaar te maken.

Vrijwillige plaatsing

Bij een vrijwillige plaatsing onderzoeken de wijkteams het toekomstperspectief in overleg met de pleegzorgbegeleider.

En dan?

Als een kind terug naar huis kan, wordt in overleg met de ouders een plan opgesteld voor de ondersteuning die de ouders nodig hebben voor het laten slagen van de terugkeer. Als blijkt dat terugkeer naar huis niet wenselijk is, gaat het kind bij voorkeur langdurig naar een gezinsvorm. Het is mogelijk dat de tijdelijke plek waar het kind op dat moment verblijft, wordt omgezet in een langdurige plek. Om te voorkomen dat een dergelijke plaatsing voortijdig wordt beëindigd (zie ook het thema Continuïteit), is het belangrijk dat de ouders zo veel mogelijk betrokken blijven, dat de gezinsvorm de juiste begeleiding en deskundigheidsbevordering krijgt (zie ook het thema Begeleiding) en dat alle betrokkenen goed samenwerken (zie ook thema het Samenwerking).

Ouders

De ouders moeten hulp krijgen bij de acceptatie van hun nieuwe rol. Als de ouders actief betrokken worden bij de besluitvorming door de gezinsvoogd, de pleegzorgbegeleider en de pleegouders, is de kans groter dat zij - ondanks veel verdriet - leren leven met de nieuwe situatie. Er wordt naar gestreefd dat de ouders een zo actief mogelijke rol blijven spelen in het leven van hun kind. Pleegkinderen kunnen daardoor zowel loyaliteit jegens hun ouders voelen als een veilige hechting met hun opvoeders ontwikkelen.

Wetten en richtlijnen

Internationaal

Kinderen hebben behoefte aan bestaanszekerheid en duidelijkheid over hun toekomstperspectief. Daarom is het noodzakelijk om daarover binnen een verantwoorde termijn duidelijkheid te verschaffen (artikel 9, 20, 25 IVRK; paragraaf 12, 14, 49-52, 60-61, 67 Richtlijnen Alternatieve Zorg).

Nederland

In de nieuwe wet Herziening kinderbeschermingsmaatregelen staat dat er binnen een voor het specifieke kind aanvaardbare termijn een opvoedingsbesluit moet worden genomen. In de wet wordt niet gedefinieerd wat de duur is van deze aanvaardbare termijn. (artikel 1:266 lid 1 onder a BW). Wel weten we wat ongeveer de periode is dat een kind in onzekerheid kan leven, zonder dat het daarbij teveel schade ondervindt. Die periode is bij een baby veel korter dan bij een wat ouder kind.

Richtlijn

De Richtlijn Pleegzorg geeft aan dat het opvoedbesluit binnen een half jaar tot maximaal één jaar moet worden genomen. In individuele gevallen kan hier in het ontwikkelingsbelang van het kind beargumenteerd van worden afgeweken.

De jongeren zelf

Jongeren in de jeugdzorg geven in de Q4C Kwaliteitsstandaarden aan dat zij goed geïnformeerd willen worden (nummer 3) en dat het duidelijk moet zijn welke doelen bereikt worden en wanneer (nummer 6). Uitgangspunt zou moeten zijn dat ze kunnen blijven wonen op een plek waar zij zich thuis voelen (nummer 9). Tijdens de plaatsing moeten ze contact kunnen onderhouden met familie en vrienden (nummer 10). Het belang van voorbereiding op de toekomst blijkt verder uit de standaarden 17 tot en met 19. Zo vinden jongeren dat zij goed voorbereid moeten worden op de situatie na de pleegzorg (nummer 17), waaronder zelfstandig (gaan) wonen (nummer 18), en dat ondersteuning ook na het vertrek uit de pleegzorg gegarandeerd moet worden (nummer 19).

Dalila

Checklist

Gemeenten en zorgaanbieders kunnen gezamenlijk veel betekenen voor kinderen en jongeren die voor korte of langere tijd niet meer thuis kunnen wonen. De transformatie biedt kansen om tot een integraal beleid te komen op de diverse domeinen die raken aan de zorg voor de jeugd. Een aantal belangrijke punten voor gemeenten en zorgaanbieders op een rij:

  • Hechting en ontwikkeling van het kind staan centraal. Krijgt het kind zo snel mogelijk zekerheid waar het voortaan zal wonen, opgroeien en zich kan hechten?
  • Nemen we binnen 6 tot 12 maanden na de uithuisplaatsing een opvoedbesluit en maken we gebruik van een goede methodiek voor perspectiefbepaling?
  • Krijgen ouders voldoende hulp bij het verbeteren van de thuissituatie? Worden beslissingen gezamenlijk met de ouders genomen? Krijgen ouders ook na de beslissing opvoedingsondersteuning of steun bij het aanvaarden van hun nieuwe rol?
  • Kinderen geven zelf aan wat voor hen belangrijk is. Wegen we hun mening mee in de beslissing?
  • Krijgen kinderen goede informatie over en begeleiding bij het beslissingsproces?
  • Bereiden we kinderen goed voor op een overplaatsing of terugplaatsing en doen we dit op kindvriendelijke wijze?
  • Bieden we kinderen hulp bij het wennen in een pleeggezin als er sprake is van een plaatsing in een nieuwe gezinsvorm? Zie ook het thema Begeleiding.
  • Als kinderen teruggeplaatst of overgeplaatst worden, hebben zij het recht om contact te houden met de leden van de gezinsvorm waar zij hebben gewoond. Krijgen ze voldoende mogelijkheden om contact te houden?

Methodieken en meer

Om het proces van perspectiefbepaling succesvol te laten verlopen, kunnen zorgaanbieders en gecertificeerde instellingen verschillende werkwijzen en methodieken gebruiken. Het Pedagogisch Model bij Terugplaatsing en de Beoordelingsboog zijn specifiek ontwikkeld voor perspectiefonderzoek. De Deltamethode heeft een breder toepassingsgebied dan alleen het formuleren van een opvoedbesluit. Van geen van deze methodieken is de effectiviteit nog bewezen. Meer informatie over de methodieken is te lezen in een landelijke inventarisatie die is uitgevoerd door de Universiteit van Leiden en in de Richtlijn Pleegzorg.

  • Pedagogisch Model bij Terugplaatsing

    Het Pedagogisch Model bij Terugplaatsing geeft een stappenplan met termijnen om tot een opvoedbesluit te komen. Een analyse van de relatie tussen ouder en kind in de thuissituatie (stap 1) vormt de basis voor de aard en de inhoud van de plaatsing op korte termijn (stap 2). De van tevoren vastgestelde termijn dwingt tot een besluit over de terugplaatsing. Dit besluit wordt niet genomen zonder begeleiding van het gezin daarna (stap 3). Alleen na gebleken ongeschiktheid van de ouders volgt de heroverweging tot definitief verblijf in het pleeggezin (stap 4). Het kind gaat permanent in een pleeggezin of gezinshuis wonen als de gewenste ontwikkelingsuitkomsten niet worden bereikt na een half jaar intensieve ambulante hulp in de thuissituatie, gevolgd door een half jaar uithuisplaatsing in combinatie met intensieve ondersteuning van het pleegkind en de ouders en als de nodige veranderingen voor een hereniging niet zijn gerealiseerd (Van den Bergh en Weterings, 2010).

  • Beoordelingsboog

    De Beoordelingsboog is een hulpmiddel voor pleegzorgbegeleiders om de (gezins)voogd of wijkteams te adviseren over het toekomstperspectief van het pleegkind. Het gebruik van de Beoordelingsboog helpt bij het maken van een systematische afweging over de vraag of een pleegkind beter thuis, in een pleeggezin of elders kan wonen. In de Beoordelingsboog staan twaalf factoren of criteria die de pleegzorgbegeleider beoordeelt bij het geven van een advies over het toekomstperspectief van een pleegkind. De pleegzorgbegeleider verzamelt vanaf de start van de hulpverleningsvariant systematisch informatie. Dit doet hij in dialoog met de ouders en het pleegkind, de pleegouders en andere betrokkenen uit het (in)formele netwerk van het gezin. Zodra de pleegzorgbegeleider zelf een redelijk goed beeld heeft, vraagt hij zijn collega's van het pleegzorgteam en van de gecertificeerde instelling de boog eveneens in te vullen. Overleg over de overeenkomsten en verschillen helpen de pleegzorgbegeleider om de argumenten voor zijn advies beter onder woorden te brengen (Choy & Schulze, 2009).

  • Deltamethode

    De Deltamethode is een methodiek voor de uitvoering van de gezinsvoogdijtaak door de gecertificeerde instelling. Een belangrijk onderdeel is 'analyseren en doelen stellen'. Dit gebeurt met behulp van het zogeheten 4-stappenmodel (Slot, Theunissen, Esmeijer & Duivenoorden, 2002). Bij stap 1 kijkt de (gezins)voogd niet alleen naar problemen, maar ook naar beschermende factoren, sterke punten van de gezinsleden en hun visie. Bij stap 2 gaat de (gezins)voogd na welke van de geïnventariseerde problemen de ontwikkeling van het pleegkind bedreigen. Concrete omschrijvingen verduidelijken welke aspecten van de ontwikkeling worden bedreigd. Stap 3 is een vertaalslag. De (gezins)voogd vraagt zich af hoe het gezonde, normale gedrag van het pleegkind eruit zou zien als de ontwikkelingsbedreiging zou zijn opgeheven, ook wel de 'gewenste ontwikkelingsuitkomsten' genoemd. Bij stap 4 worden tussenliggende werkdoelen geformuleerd en wordt bedacht welke middelen ingezet kunnen worden. De (gezins)voogd probeert met de ouders, het pleegkind, de pleegouders en de pleegzorgorganisatie tot overeenstemming te komen over de gewenste ontwikkelingsuitkomsten. Vervolgens worden deze in het plan van aanpak opgenomen en kunnen er werkafspraken worden gemaakt.

Download de volledige literatuurlijst